Orgelman

Begin januari. Er staat een straffe, gure wind. De ochtend loopt ten einde. Ik maak mijn ommetje. Het is nog rustig in de smalle, lange winkelstraat. Publiek sukkelt mondjesmaat voorbij.

Vanuit de verte waaien flarden orgelmuziek me tegemoet. Als ik dichterbij kom, doemt een enorm gevaarte op, strategisch voor de Hema geposteerd. Boven het geronk van de motor die het orgelwiel laat draaien, klinken de tonen van André Hazes’ Ik heb hier een brief voor mijn moeder. Het is een hels kabaal.

Het passeren van een straatorgel in een smalle winkelstraat is altijd een hachelijke onderneming. Terwijl ik dichterbij kom, bepaal ik mijn strategie. Boven alles is het zaak de man met het centenbakje te vermijden.

Vliegensvlug observeer ik de situatie. Links voor het orgel staat de orgelman. Een dikke, wat uitgezakte kerel, gekleed in een grijzige trui met daaroverheen een bodywarmer. Hij heeft een klein koperkleurig bakje in de hand.

Nog een meter of tien te gaan. Op maximaal volume schakelt het draaiorgel nu volautomatisch over op een Hollandse medley. De orgelman tuurt in mijn richting. Ternauwernood weet ik oogcontact te vermijden. Ik besluit af te zwaaien. Ik versnel mijn pas en steek schuin de winkelstraat over, naar de overzijde.

Dan gebeurt iets waarop ik niet heb gerekend. De orgelman heeft me in de smiezen. Schrijlings doet ook hij enkele stappen in dezelfde richting. Plots besef ik dat een confrontatie onvermijdelijk is.

Daar is de orgelman, recht voor me. Het bakje met muntgeld schudt dat het een aard is.
Ik bots zo’n beetje tegen hem op. De man ruikt naar patat en zware shag. Hij kijkt me aan alsof í­k hem lastig val.

Nu mag je een mens niet op zijn uiterlijk beoordelen, maar dat is in dit geval makkelijker gezegd dan gedaan. De orgelman heeft een rond, gegroefd gezicht. Zijn ogen staan dicht bij elkaar en ook de wenkbrauwen lopen door. Er hangt een peuk aan zijn onderlip.

“Genieten van de mooie klanken van weleer,” gromt de orgelman. Hij kijkt me doordringend aan. Dan knikt hij stuurs naar het bakje dat vreugdeloos voor mijn neus op en neer wipt. Geld wil hij zien.
Omkeren zou een nederlaag zijn. Ik zit reddeloos in de val. Van passanten hoef ik geen hulp te verwachten. Het enige wat zij doen, is geamuseerd over de schouder kijken wanneer ze eenmaal veilig zijn gepasseerd. Allemaal blij met de vrije doorgang die ik ze geef.

“Moet je niet draaien?” flap ik er plots uit. Ik wijs naar het draaiwiel dat als vanzelf zijn rondjes maakt.

De orgelman kijkt me vreemd aan. Zo gek heeft hij het nog nooit gehoord. “Het ding draait toch?” zegt hij dan. Weer rammelt het bakje.

“Ik heb geen klein geld bij me,” zeg ik. Ik lieg niet eens.

“Helemaal niet erg,” antwoordt de orgelman. Tevreden kijkt hij naar zijn bakje, duidelijk niet van plan wisselgeld terug te geven.

“Vooruit dan maar,” antwoord ik. “Schudden met een centenbakje is een hele kunst, laten we het daar maar op houden.”

Ik diep een rolletje papiergeld op uit mijn broekzak en pel tergend langzaam een briefje van tien los. Wanneer de orgelman het tientje wil pakken, trek ik mijn hand terug. “Je krijgt het alleen als je nu stopt met je herrie,” zeg ik.

Dat laat de orgelman zich geen twee keer zeggen.

“Bedankt,” zegt een voorbijganger even later tegen me. Hij lacht en steekt zijn duim omhoog.

“Gelukkig nieuwjaar,” antwoord ik.

6 reacties op “Orgelman”

  1. God wat vreselijk, die herrie altijd en als de straat niet smal is, staan ze met zijn 2-en.. Ik snap heus wel dat die mensen een paar centjes willen verdienen, maar nóg beter dat iemand bereid is te “betalen” voor beeindiging van het lawaai…. Zo zat ik eens te eten in een restaurant in Spanje, waar ik woon. Daar heb je dan van die groepjes oudere jongeren in maillots met gitaar, die op ongeveer gelijke wijze de boel onveilig maken. Leuk voor de toeristen zul je zeggen, das waar, tenzij je ter plekke woont en elk eten buiten de deur geteisterd wordt door “una paloma blanca” en “guantanamera” … Eens zat ik met een vriendin te eten en had gezellig óók nog een knallende koppijn…. Het geschreeuw was écht niet meer om uit te houden en ik heb de restauranteigenaar gevraagd ze weg te sturen…. Woedend waren ze… O ja en dan heb ik het nog niet gehad over de doof-stommen, de horloge-verkopers en de tafelkleden-dames… Verhuizen heeft geen zin, in Nederland heb je het orgel….

  2. De orgelman

    Januari is juist begonnen. De wind is fris en een grauwe regenbui hangt dreigend in de verte. Het is alweer bijna middag. Ik sta op mijn wekelijkse standplaats tussen Hema en V&D. Mijn draaiorgel speelt en ik kijk hoe het publiek mondjesmaat voorbij sukkelt. Het is nog niet veel. Mensen hebben de feestdagen nog in de benen en moeten het normale leven weer op zien te pakken.

    De wind voert mijn muziek door de bijna verlaten winkelstraat. Als ik een nieuw boek heb opgelegd, kijk ik nog even goedkeurend naar de nieuwe motor die zachtjes zoemend zijn werk doet. Het handdraaien valt nu eenmaal niet mee als je in je eentje bent en wettelijke regels maken het onmogelijk om iemand in dienst te nemen. Bittere noodzaak dus, zo’n accuinstallatie, maar het is niet anders.

    Weer terug op mijn plaats zie ik vanuit mijn ooghoek een persoon mijn kant op komen. Het is nu of nooit, hoe drijf ik de man zo in het nauw dat hij er niet aan ontkomt iets te doneren in mijn glimmend gepoetste mansbak. Ik bekijk zijn bewegingen en merk dat hij probeert mij te ontwijken. “Dat gaat zomaar niet, ” denk ik. Met een paar ferme stappen posteer ik mij weer in zijn baan en probeer oogcontact met hem te maken. Dat helpt altijd.

    Hij wendt zijn hoofd af en probeert voor een tweede maal mij te ontlopen. Een hardnekkige potentiële klant dus. Nog 2 stappen en ik sta recht voor hem. Er is geen missen op, de confrontatie is onvermijdelijk. Nu hoef ik hem alleen nog mijn mansbak onder de neus te houden en ….

    Badend in het zweet word ik wakker. Opgeschrikt uit een nachtmerrie van het zuiverste water. De wekker geeft aan dat het tijd is om op te staan en na het gebruikelijke ochtendritueel begeef ik me naar het pakhuis waar mijn draaiorgel staat. De accu’s onder stroom en leuke muziek in de kasten. Ik ga er weer tegenaan vandaag.

    Het ritje naar mijn plekje bij de Hema duurt nog geen tien minuten. Ik overzie de winkelstraat en bekijk hoe druk het is. “Sappeldagje vandaag” zeg ik tegen mijzelf en begin op de klanken van een Andre Hazes leidje met mijn bakje te schudden. Twee kinderen komen vanuit een winkel naar buiten gerend en nemen dansend plaats voor het orgel. Hun oma, een vriendelijke grijze dame, komt er lachend achteraan.
    “Dag orgelman, fijn dat je er weer bent, we hebben je gemist vorige week!”
    Ze duwt haar kleinkinderen beiden een 20 centstuk in de hand en die komen nu zo snel op mij af rennen dat ik even bang ben dat zij mij ondersteboven lopen. “Alstublieft,” kling, kling, de muntjes verdwijnen één voor één in mijn mansbak. Een aai over hun bol en weg zijn ze weer, terug naar het orgel, dansend op de muziek, lachend om de trommelstokjes die zomaar vanzelf hun werk doen.

    Al mansend praat ik met de oude dame. Ze vertelt hoe zij vroeger met haar man zaliger kon genieten van een draaiorgel als dat bij hen door de straat kwam en hoe hij haar bij datzelfde orgel ooit ten huwelijk vroeg op de klanken van Mascagni’s Cavalleria Rusticana.
    Terwijl Andre Hazes uit het klavier loopt en het orgel hijgend en puffend om een nieuw boek vraagt, loop ik naar achteren en zoek in het kastje. Hij ligt er, een potpourri uit Cavalleria Rusticana. Ik zet het op, wetend dat aan de voorkant een oude, vriendelijke, grijze dame in gedachten even terug gaat naar lang geleden.

    Ik neem mijn plaats weer in en houd mijn mansbak rammelend naar voren. In de verte zie ik iemand de grootst mogelijke moeite doen om mij en mijn mansbak te ontwijken. Schichtig bekijkt hij me alsof ik daar sta met een rugzak vol explosieven die elk moment af kunnen gaan. Met een zenuwachtige blik in de ogen komt hij dichterbij. Een klamme hand op de broekzak, de portemonnee die daarin zit stevig omklemmend. Blijkbaar is hij niet van plan om iets te geven. Dat hoeft ook niet, iedereen is vrij om het niet te doen. Ik kijk hem nog eens aan, wend mijn hoofd af en kijk de andere kant op. Daar staat een oude, grijze dame.

    Als zij wegloopt pinkt ze een traantje weg en stopt iets extra’s in mijn bak. “Tot volgende week orgelman.” Haar kleinkinderen huppelen met haar mee en ik kijk ze na tot ze in de verte om een hoek verdwijnen.

  3. Geweldig. Zou zomaar in de heuvelstraat in Tilburg gebeurt kunnen zijn. Wat een DeJaVu ervaring als ik dit lees.
    Wellicht zou Chamergo samen met jou kunnen gaan schrijven?
    Ga door met zulke collumns!!

  4. als die man stopt met draaien voor een tientje, is hij vast niet dezelfde als in het stukje hierboven….

  5. J Campagne

    Geachte heer Koelman,

    Ik lees uw column altijd met plezier, maar de column over de orgelman schoot mij toch wel wat verkeerd… Ik ben zelf op zaterdag behulpzaam bij de exploitatie van een draaiorgel in Voorburg (bij Den Haag) en ik kan vanuit mijn ervaring de reactie van Chamergo volledig onderstrepen.

    We waren afgelopen zaterdag weer weggeweest en hebben weer een hele gezellige dag gehad met heel veel leuke en positieve reacties van het publiek. ‘s Avonds na afloop kwam ook uw stuk ook nog weer ter sprake, en dat wij het tegenovergestelde ervaren dan wat u in uw column beschrijft.

    Wij als “orgelploeg” willen u graag uitnodigen om een keer een dag(-deel) met ons mee te lopen/helpen zodat u een beeld krijgt vanaf de andere kant, vanuit het perspectief van de mensen die met een draaiorgel werken. We zouden het erg sportief vinden als u deze uitnodiging aanneemt!

    Vriendelijke groeten,

    F.J. Campagne

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top