De penning van Bram Peper

Oud-burgemeester Bram Peper heeft de Johan van Oldenbarneveltpenning teruggestuurd naar de gemeente Rotterdam. Hij stelt geen prijs meer op het kleinood dat hij bij zijn afscheid van de stad in 1998 ontving. Het zal hem pijn hebben gedaan, want de Johan van Oldenbarneveltpenning is de hoogste gemeentelijke onderscheiding van Rotterdam. De PvdA in de havenstad reageerde geschokt: “Peper leeft in een droomwereld.”

In de studeerkamer van de ex-burgemeester, naast het kamertje op de overloop waar Neelie altijd de was ophing, was het rokerig en warm. Peper staarde met koortsige blik naar de monitor voor hem. ‘Ik moet jullie teringpenning niet,’ stond er slechts. Meer woorden wenste hij er niet aan vuil te maken.
Hij snoof gepikeerd. Dat door spruitjeslucht omgeven gemeentebestuur bestond uit dilettanten die niet wisten hoe een man van de wereld zijn leven leidde. Nooit zette hij meer een stap in Rotterdam. Die penning ging retour. De grootste misdadigers in Nederland werden beter behandeld dan hij. Altijd had hij zijn beste beentje voorgezet, en nu dit. Een moreel verzoek tot terugbetalen? Frauduleuze praktijken? Het overschaduwde zijn glorieuze carri”re. Dat ze hem zo durfden te bejegenen!

Onrecht, dat was het. Een persoonlijke ramp. Hij was een getekend mens.
Een grote prop machteloze woede bolde plots op in zijn maag.
Tranen prikten.
Peper diepte een papieren zakdoek op uit zijn broekzak en snoot knetterend zijn neus. Ze probeerden hem kapot te maken met hun suggesties, leugens en halve waarheden – maar hij liet het niet gebeuren! Zijn sociale intelligentie was groot genoeg om hier naar behoren op te reageren. Woest kneep hij in zijn opgepropte zakdoek. Enkele draden snot persten zich tussen zijn vingers door naar buiten.
Terugbetalen – dat nooit! Hij was een straatvechter. Hij zou alles doen om die karakterloze knieval van 64 duizend gulden te ontlopen.

De handeling kondigde zich bijna als vanzelf aan.
Peper greep de Johan van Oldenbarneveltpenning en veegde de smurrie uit over de munt en het lapje stof met de veiligheidsspeld. Lang en nadrukkelijk, alsof hij een boterham met pindakaas smeerde. Zonder te morsen legde hij het zaakje voorzichtig op de verwarming.
“De een droogt herfstbladeren,” lispelde Peper. “De ander snot.” Met de mouw van zijn overhemd veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.
Toen lachte hij luid en langdurig.

Het geschater werkte als een bevrijding. Volkomen tevreden hing Peper nu in zijn zwartlederen fauteuil op wieltjes. De gedachte hoe het voltallig gemeentebestuur zijn hard geworden snot van de penning schraapte, ontspande hem. Hij zag die besmuikte koppen al voor zich. Stelletje sukkels. Hij schoof zijn handen triomfantelijk achter zijn hoofd en leunde achterover. Alles suisde en voelde licht. Iets brak door, alsof het altijd al op de loer had gelegen. De gloed van het grote gelijk, overstelpend en reusachtig.

Peper verroerde zich niet, maar het was zijn eigen lichaam dat bewoog. De zitting van zijn fauteuil schuurde traag langs billen en onderrug. Hij gleed nog verder weg. Wervel voor wervel, rib voor rib. De fauteuil ratelde en botste tegen de deur achter hem. Pepers billen ploften op het pluche vloerkleed en nog net zag hij hoe het eikenhouten bureaublad als een reusachtige zonsverduistering tussen hem en het plafond doorgleed.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top