Het plasje van Jan Pronk

Afgelopen dinsdag viel het kabinet. Milieuminister Pronk gaf een dag eerder het benodigde duwtje toen hij tegenover journalisten uit de school klapte over zijn voorgenomen aftreden. Volgens insiders was dat na afloop van een plaspauze.

Buiten, voor de deur van het herentoilet, dromden de persmuskieten samen. Binnen had milieuminister Pronk zich wijdbeens voor het urinoir geposteerd. Zijn hoofd in concentratie gebogen, vóór zijn colbert uit, met daaronder twee schouders die verkrampt de lucht in staken.
Op de gang hoorde hij opgewonden stemmen.
Ontspannen nu, want anders kwam er niks. Pronk haalde diep adem. “Aqua, aqua, aqua…”

Kijk nu toch eens. Dit kon je met de beste wil ter wereld geen urineren meer noemen. Wat hij er uit perste was niets meer dan een vernederend slap straaltje waar de vaart allang niet meer in zat. Net zo goed kon je het nadruppelen noemen. Of lekken. Nog even en hij druppelde zo erg dat ambtenaren kattenbakkorrels onder zijn bureau konden strooien.

Pronk keek in de spiegel. Zijn mondhoeken hingen er slap bij. Hij zag er afgebladderd uit.

En zo zou het van kwaad tot erger gaan in deze neerwaartse spiraal. Precies zoals hij ook al was afgezakt naar de dertiende plaats op de PvdA kieslijst. Hij hoorde niet eens meer tot de partijtop. Hij, het linkse geweten van de PvdA, de man die opkwam voor de onderdrukten. Wat had hem eigenlijk bezield om ooit milieuminister te worden? Jezelf bezig houden met het invoeren van statiegeld op colablikjes. Op het wereldtoneel hoorde hij thuis! Strijdend tegen armoede en ongelijkheid.

Pronk keek in het urinoir. Dit leverde niets op – behalve dan heimwee naar vroeger. Op zijn drieëndertigste was hij al minister. Dat waren de jonge jaren, toen hij zijn straal noodgedwongen onderin het urinoir mikte om ervoor te zorgen dat het vocht onder een veilige hoek terugspatte. Minutenlang turen naar de belletjes die in het urinoir opborrelden. Zo vol levenslust, er kwam geen einde aan.

Onbevattelijk eigenlijk.

Het gemak, de rust en de vanzelfsprekendheid waarmee sommige jonge politici plasten. Hij was er jaloers op. Wouter Bos bijvoorbeeld, de jonge staatssecretaris van Financiën. Die kletterde dat het een lieve lust was. Bijna dierlijk was dat. Van Kok wist hij het zo net nog niet. Die had zijn eigen urinoir in zijn torentje. Dat was natuurlijk ook niet voor niets.

“Milieuminister…” Pronk lachte zuur. Wat was het eigenlijk dat hem dreef? Waar deed hij het voor? Het was tóch nooit goed in dit kikkerlandje.

Opeens wilde hij weg. Weg uit dit land zonder begeestering.

Maar dan wel op de hem eigen wijze! Groots en meeslepend zou het worden. Een laatste daad van de martelaar van Nederland. Het grote lijden! De pers zou het op waarde weten te schatten. Grieks drama was er niets bij.
Langzaam begon de minister in zijn rol te groeien. Er was een dromerige glans in zijn ogen gekomen. Een afscheid in stijl.

Pronk rechtte de rug, haalde diep adem en verliet fier het herentoilet. Daar ging hij, voor de laatste maal voor de troepen uit. Hemeltje, wat was hij blij dat hij eindelijk van die colablikjes af was.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top