Smurfen? Geef het door, rechts…

In de werkkamer van Tineke Netelenbos zit de directeur van het reclamebureau voorover gebogen, met zijn ellebogen steunend op zijn knie”n en het hoofd in de handen. Zijn laptop heeft hij aan de kant geschoven. De minister kan elk moment binnenkomen en dan valt de bijl. Niets heeft hij kunnen bedenken, helemaal niets. Hij zucht en staart naar zijn glimmend zwarte schoenen. Zijn stropdas hangt tussen zijn benen.
De deur zwaait open. Het is mevrouw Netelenbos, stralend in haar kobaltblauwe mantelpak met witte accenten. “Nee, blijft u vooral zitten.” Ze neemt plaats, overziet haar bureau en schuift enkele stapels papier recht. “Ik ben razend benieuwd naar uw campagne-idee voor die nieuwe voorrangsregel in het verkeer.”

De directeur van het reclamebureau schraapt zijn keel. “De campagne… Juist ja… Fietsers van rechts krijgen voorrang op auto’s.” Heimelijk kijkt hij naar het lege scherm van zijn laptop. “Het was niet eenvoudig… We bedachten een opvallende campagne en kwamen tot – ja, een verrassend en inspirerend resultaat.” Hij slikt moeizaam. “Een kleurrijke campagne, zeker. Met kleuren dus…” Zijn ogen schieten langs de kleding van de minister. “Primair blauw met… met een witte signaalkleur.”

De directeur voelt hoe een spiertje onder zijn rechteroog onbeholpen begint te trillen. “Blauw is de verfrissende kleur van lucht en water. Maar blauw schept tevens afstand. En dat is goed, want afstand houden in het verkeer is ook goed.” Nu vooral geen stiltes laten vallen. “Daarnaast is er de kleur wit. Wit is ook een mooie kleur, in alles de tegenpool van zwart. Wit is volmaakt. En dat volmaakte associeert weer met de exclusiviteit van… van voorrang hebben als je van rechts komt.”

Zijn woorden stokken. Hij knikt in blinde paniek. “Jaja…” Blijven praten, dingen roepen, iets verzinnen. Beter iets dan niets. “Blauw en wit. Jazeker, blauw en wit. Dat gaat prima samen. En waaraan denken verkeersdeelnemers bij de kleuren blauw en wit?” De directeur weet het zelf niet, maar in zijn hoofd proberen twee hersenhelften tot iets van een antwoord te komen. Het is eruit voordat hij er erg in heeft. “Zij denken aan smurfen.”
De ogen van de minister lijken even groter te worden. “Smurfen, zegt u?”
De directeur voelt zijn hoofd rood aanlopen. Plots is er geen enkele hoop meer. Hij heeft zichzelf gevangen in zijn eigen woorden. “Ikke… eeeh… Vader Abraham, die zit achter het stuur van zijn auto en… en…” Dan trilt er een laatste stuiptrekking door zijn hersenschors. “En van rechts komt een groepje smurfen op blauwe fietsjes aangereden. De Grote Smurf roept: Geef het door, rechts gaat voor.” Zijn stem raspt. “En vader Abraham geeft ze vervolgens netjes voorrang.”

Een machteloze stilte vult de werkkamer. Tineke trekt een grimas en kijkt op haar horloge. Eind van de ochtend. Ze tikt met een vinger op het bureau. “Maar wacht eens, die rages uit de jaren zeventig zijn weer helemaal in, is het niet? Hoe noemen de mensen dat? Is dat camp?”
De directeur knikt heftig. “Jaja, camp…”
“Camp!” Tineke lacht opgelucht. “Oh, maar dan vind ik het wel een heel leuk idee. Ja hoor, echt waar. Zeg, heeft u wellicht ook al iets camperigs in gedachte voor de introductie van het rekeningrijden?”
De directeur ontspant als bij toverslag. “Jazeker!” Sluizen openen zich en oneindig veel inspiratie stroomt door zijn hoofd. “Wat dacht u van: Hoeba hoeba hop, de Marsupilami vindt rekeningrijden top!”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top