Veelpleger

De bel gaat, het is vroeg in de ochtend. Mijn buurman, politieagent op leeftijd, staat op de stoep. Hij ziet er gejaagd uit. Buurman heeft zijn uniform aan, maar het overhemd hangt uit de broek en het jasje is scheef dichtgeknoopt. Er hangen druppels melk aan zijn snor. “Heb jij toevallig iemand langs je raam zien rennen?” vraagt hij.
Ik schud mijn hoofd. Buurman kijkt me ongelukkig aan. “Echt niet gezien? Grote kerel, veel tatoeages. Martin heet hij. Hij was net nog bij mij in huis.”
Weer schud ik mijn hoofd. Buurman zucht.
Ik kijk hem niet begrijpend aan. “Bezoek?” vraag ik voorzichtig.

Buurman tuurt afwezig richting parkeerterrein. “Nee, een volgproject. Niet gelezen in de krant? Elke Amsterdamse agent krijgt een veelpleger toegewezen en moet 24 uur per dag, 7 dagen per week, weten waar die zich bevindt en waar hij mee bezig is.”
“Dat zal niet meevallen,” antwoord ik.
“Dat valt zeker niet mee,” bromt buurman. “Ik kreeg ene Martin H. toegewezen, een autodief. Echt een gladde jongen. Het is voor mij onmogelijk die gast 24 uur per dag te volgen. Dus toen heb ik hem maar in huis genomen.”
“Ach, misschien ook wel gezellig?” opper ik voorzichtig.
Mijn buurman kijkt me met een schuin oog aan. “Maar jij weet net zo goed als ik dat er veel meer veelplegers dan agenten zijn.” Weer tuurt hij de straat in. “Dus nu heb ik drie draaideurcriminelen in huis.”
“Drie?”
“Ja. Autodief Martin H., ramkraker Etienne S. en winkeldief Erik W.”

Ik kijk hem ongelovig aan. “Hoe houdt u het vol?”
Martin sluit ik ‘s nachts op in de kelder en Etienne zit dan op zolder, met handboeien vast aan de verwarmingsketel. Ik moet toch aan mijn slaap zien te komen.”
“Maar is uw huis niet te klein voor drie draaideurcriminelen?” vraag ik.
“Ik heb geluk,” antwoordt buurman. “Erik, een hardleers winkeldiefje, is pas twaalf. Hem sluit ik op in het gootsteenkastje.”
Bij het parkeerterrein klinkt glasgerinkel.
“Maar nu mist u Martin, de autodief?”
Buurman knikt. “Zaten we net gezellig cornflakes te eten, zegt Martin dat hij even naar het toilet moet. En het volgende moment is de vogel gevlogen.”
“Vervelend,” zeg ik.

Buurman toont me drie hondenriemen. “En dat terwijl ik net met ze naar het Vondelpark wilde. Als ik ze aangelijnd heb, kan ik tenminste nog wat bekeuringen uitschrijven.”
Er valt een korte stilte. Samen turen we de straat in. “De vogel is gevlogen,” mompel ik.
Dan klinkt plots glasgerinkel op uit de woonkamer van mijn buurman. Die reageert als door een wesp gestoken. Hij sprint zijn huis in. “Etienne, verdomme nog aan toe, blijf uit mijn vitrinekast met Swarovski kristal!” Ik hoor gestommel. Even later komt buurman weer naar buiten, met een Albert Heijn-tas vol kristal in zijn handen. Hij sluit de deur achter zich. “Net op tijd,” hijgt hij opgelucht.

Vanaf het parkeerterrein komt een auto aangereden. Achter het stuur zit een grote man met tatoeages op de onderarmen. In het voorbijgaan toetert hij naar ons. Ik kan mijn ogen nauwelijks geloven. Het is mijn wagen!
Verbouwereerd kijk ik mijn buurman aan. Die zucht en haalt gelaten zijn schouders op. Achter hem kruipt een jongetje met een portemonnee in de hand door het wc-raam naar buiten.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top