Duckface is dood

Op het terras zit een meisje van een jaar of negentien. Ze is al een kwartier bezig met selfies. Geen glimlach, geen frons. Het hoofd licht gekanteld, de bovenlip pruilerig over de onderlip. Wat opvalt is die lege, emotieloze blik. Ze kijkt als iemand met aangezichtsverlamming.

Tussen de foto’s door bestudeert ze het resultaat, schikt haar haren, kantelt het hoofd een graadje verder en begint opnieuw. Haar cappuccino moet inmiddels koud zijn, de croissant ernaast blijft onaangeraakt. Het terras is bijna leeg. Twee mannen met biertjes verderop, een hond onder een tafel. Niemand kijkt naar haar. Behalve ik dan.

Want heel toevallig weet ik dat dit een ding is: de Gen Z-pout. De duckface is uit en het pruilmondje met de dode blik erboven is in. Het is een gezicht dat zegt: ik weet dat je kijkt en dat ik mooi ben, maar dat interesseert me allemaal geen biet.

Een oefening in desinteresse dus. Het treurige is natuurlijk dat zo’n gezicht enkel werkt als er iemand kijkt. Ze doet alsof ze alleen is, zoals een acteur doet alsof hij sterft.

Op TikTok leggen veertienjarigen elkaar uit hoe het moet. Tutorials van vijftien seconden, met stappenplannen en veelgemaakte fouten. Niet glimlachen, want glimlachen is voor mensen die nog ergens in geloven.

Niet fronsen, want dat is voor mensen die zich nog ergens druk om maken. Laat je kaak hangen alsof je net hebt gehoord dat tante Riet weer is gevallen, in de badkamer, op haar heup. En dat je er nu echt heen moet.

Zelf kom ik uit een generatie die nog lachte op foto’s. Veel te hard soms, met alcoholhoofden en de armen om elkaars schouders. Rode ogen van de flits. Niemand die zijn best deed om mysterieus langs de camera heen te kijken.

We wilden gewoon vastleggen dat we nog leefden.

Mijn vader, een klein jaar voor zijn dood, wist niet dat ik naar hem keek. Hij zat aan tafel met zijn nieuwe iPad, gefronste wenkbrauwen, één vinger half in de lucht, klaar om te drukken. Hij was een sudoku aan het oplossen. Zo geconcentreerd zag ik hem zelden.

Ik had het moment graag in een foto willen vangen. Maar ik wist: zodra ik mijn telefoon pak, wordt pa iemand anders; een man die wéét dat zijn zoon hem fotografeert. Dus keek ik alleen maar. De foto die ik niet van hem maakte, hangt sindsdien aan een haakje in mijn herinnering. Scherper dan welke foto ooit had kunnen zijn.

Het meisje op het terras heeft eindelijk de foto die ze wilde. Ze kijkt er kort naar, knikt en stopt haar mobiel weg. Dan pakt ze eindelijk de croissant en eet die op zonder iemand aan te kijken. En heel even, terwijl ze kauwt en geniet, zie ik het gezicht dat ze al die tijd probeerde te verbergen. Levend. Expressief. Een gezicht dat zichzelf voor even vergeten is. Het maakt haar plotsklaps tot de mooiste vrouw van de stad. En niemand die het ziet. Behalve ik dan.

Luuk Koelman
Luuk Koelman

Columnist (o.a. voor Nieuwe Revu), ghostwriter en schrijfcoach. Ik werk voor mensen die graag schrijven én voor mensen die liever niet schrijven.

Abonneer je op mijn gratis nieuwsbrief!