Elf waarheden voor eerstejaars studenten

Studenten vragen mij wel eens: “Meneer Koelman, wat heeft u nu écht geleerd tijdens uw studentenleven?” Een begrijpelijke vraag, want het campusleven wordt er niet eenvoudiger op. Vooral eerstejaars voelen van alle kanten druk. Terwijl daar geen enkele reden toe is! Daarom hier elf waarheden die ík leerde, lang, lang geleden tijdens mijn studententijd. Doe er je voordeel mee.

1) Ouders roepen altijd dat je studententijd de mooiste tijd van je leven is. Dat schept hoge verwachtingen, maar in de praktijk valt dat nogal eens tegen. Besef dan meteen dat dat echt niet aan jou ligt. Het waren simpelweg andere tijden, toen je ouders student waren. Toen was het inderdaad nog leuk.

2) Ja, je opleiding is belangrijk. Maar ook weer niet zó gigantisch belangrijk. Je studiekeuze bepaalt echt niet de rest van je (werkende) leven. Het is geen ‘erop of eronder’, geen ‘goed of fout’. Niemand doet tijdens al die decennia tot aan ‘t pensioen almaar hetzelfde werk. En de meeste mensen doen zelfs meteen al totaal iets anders dan waarvoor ze gestudeerd hebben. Vakkenvullen is immers ook een vak.

3) Zit alles even heel erg tegen? Bedenk dan dat elke persoon die je op de campus tegenkomt, minstens net zoveel problemen heeft als jij. Sterker nog, waarschijnlijk ben jij, ondanks je eigen problemen, nog steeds de meest gelukkige van jullie twee. Denk gewoon: volgend semester is al deze ellende voorbij en heb ik weer héél andere ellende. Dat houdt je op de been.

4) Geen cent te makken? Hartstikke fijn! Want hoe minder bezittingen je hebt, des te meer ze voor je betekenen. En ook: hoe minder je hebt, des te minder kunnen ze van je jatten. Vrij is hij (of zij), die niets te verliezen heeft.

5) Het maakt niet uit hoe goed, slim of bedreven je bent in iets. Elke persoon die jij ziet op de campus, is altijd wel érgens beter in dan jij. Dat zou je demotiverend kunnen vinden, maar in feite is het een fijne gedachte dat al deze mensen jou in de toekomst kunnen dienen met dat wat zij toevallig beter kunnen. Delegeren luidt het devies. Dus maak je vooral niet zo druk om je eigen niveau of kunde. Als een ander het beter kan, hoef jij het niet meer te doen.

6) Probeer niet al te krampachtig aardig gevonden te worden. Wanneer je je druk maakt over wat anderen van jou vinden, dan maak je je eigenlijk druk over hoe jij over jezelf denkt. Langdurig zelfvertrouwen is beter dan een kortstondig ge(n)aaid ego. En kuddegedrag is uit.

7) In de kroeg is er in elk gezelschap minstens één eikel. Je weet wel, zo’n vreselijk irritant figuur, dat zo mogelijk nóg irritanter wordt, wanneer er drank in het spel is. Herken je tijdens het stappen de eikel in jouw gezelschap niet? Dan ben je het waarschijnlijk zelf.

8) Als je nooit twijfelt aan je eigen opvattingen, kun je er donder op zeggen dat ze niet kloppen. Wees wijs en weet wat je niet weet. Luister naar Socrates.

9) In navolging van waarheid 8: wantrouw alle mensen die beweren dat zij dé oplossing voor alles hebben. Politici bijvoorbeeld. Of Jehovah’s Getuigen.

10) Als je tijd schaars is, verspil die dan in géén geval aan sociale media. Voor de meeste lieden die daar rondhangen, is ‘bewijs’ niets meer als een verzameling meningen, waar zij toevallig óók achterstaan. Daar heb je dus he-le-maal niets aan.

11) Nu je definitief in de wereld der volwassenen stapt: hecht vanaf dit moment de grootst mogelijke waarde aan de mening van kinderen. Want die zijn tenminste altijd goudeerlijk. Natuurlijk slechts tot het moment waarop volwassenen hen leren dat het handiger is om niet langer eerlijk te zijn.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top