Het is vier mei, acht uur ’s avonds. Ik sta op mijn balkon. Beneden op de stoep staat een man met een hond. De hond begrijpt het niet. De hond wil verder. De man trekt zachtjes aan de riem en fluistert iets wat ik niet kan verstaan.
Twee minuten zijn lang. Twee minuten op een balkon zijn nog langer. Je hebt tijd om aan dingen te denken waaraan je normaal gesproken niet denkt. Bijvoorbeeld: ‘De beste manier om de doden te herdenken, is nooit meer een nieuwe oorlog beginnen’. Tegelijkertijd roept de Duitse minister van defensie te pas en te onpas dat Europa weer kriegstüchtig moet worden. Want, de Russen. Kriegstüchtig. Je hoort de laarzen al stampen.
Op de Dam staan ze weer, de gezagsdragers met hun universele boodschap van vrede. Ze kijken ernstig en leggen een krans. Dit is het moment waarop Nederland één behoort te zijn, waarop we tegen onszelf zeggen: dit nooit meer.
Ik vraag me af of iemand op de Dam op dit moment écht aan Oekraïne denkt. Niet zoals we er meestal aan denken – met drones, F16’s en generaals die nu al vier jaar lang de Russische ineenstorting voorspellen – maar gewoon, aan de jongens die daar in een loopgraaf liggen. Jongens die ook doodgaan omdat wij hebben besloten dat die oorlog belangrijk is, maar niet zó belangrijk dat we er zelf aan mee willen doen. Wij sturen wapens. Het sneuvelen besteden we uit.
En dan alle burgerdoden in Iran. Daar hoor ik op 4 mei eigenlijk niemand over. Waarschijnlijk omdat het onze grote broer is die bombardeert. Dus daar staan we liever niet bij stil. Sterker nog, onze regering heeft er zelfs ‘begrip’ voor. Maar Iran wordt wel veroordeeld.
En dan is er nog die andere slachting in het Midden-Oosten. Een waarover we het liefst helemaal niet praten. En zeker niet op de Dam. Ik zou die keuze moeten begrijpen, maar ik snap er eerlijk gezegd niets van. Waarom zijn kinderen onder het puin moeilijker te herdenken dan kinderen in een treinwagon?
De hond beneden heeft inmiddels gewonnen. De man laat zich meetrekken. Ik kan het hem niet kwalijk nemen.
Morgen is het vijf mei. Bevrijdingsdag. Festivals, bier, bandjes. Op het podium roept een politicus dat we vrij zijn. Ergens in een kantoor appt een wapenleverancier zijn collega’s dat hij nieuwe orders binnen heeft. Niemand van hen heeft ooit een oorlog meegemaakt. De enige oorlog die zij ooit hebben gevoerd, is die met hun printer.
De mensen die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt, stonden ooit op de Dam. Het liefst spraken ze zo min mogelijk over het verleden. Het woord ‘offer’ vermeden ze, omdat ze wisten wat het werkelijk inhield. Politici op tv weten dat niet. Dat hoor je aan hun woordkeuze, aan hoe achteloos ze het woord ‘offer’ over hun lippen laten vloeien. Bij elke dodenherdenking. Maar ook bij elke bezuiniging.
De man beneden is om de hoek verdwenen. Zijn hond had gelijk: twee minuten zijn te lang.

