Het verhaal gaat dat Nederland in mei 1940 compleet onder de voet werd gelopen en onze jongens massaal hun wapens neergooiden. Maar was dat ook echt zo? Hitler dacht Nederland in één dag te veroveren, maar de Slag om de Afsluitdijk en de strijd om Ypenburg laten zien dat de Nederlandse Leeuw tegen alle verwachtingen soms wél standhield…
We schrijven zondag 12 mei 1940. Eerste pinksterdag; de derde dag van de invasie. Tegen het eind van de ochtend bereiken de eerste Duitse troepen de kop van de Afsluitdijk, aan Friese zijde. Die dunne, dertig kilometer lange strook asfalt met water aan beide zijden.
Hun bevelhebber, generaal-majoor Kurt Feldt, is op de hoogte van de Nederlandse stelling Kornwerderzand, vier kilometer verderop gelegen op de Afsluitdijk. Hij meent dat de verdedigers snel zullen zwichten. Immers, die Holländer weten niet wat oorlog is. Maar zijn mannen wel. Zij hebben Polen al platgewalst en begrijpen wat Blitzkrieg is.
Bij het invallen van de avond stuurt Feldt een verkenningseenheid de Afsluitdijk op. De Nederlanders zien de Duitsers naderen. Eerst denken ze nog aan eigen troepen, want, zo staat te lezen in het gevechtsverslag: “Die kerels kwamen gewoon aangewandeld over de dijk.”
Eén vuurstoot van een mitrailleur is voldoende. De Duitsers duiken in het gras aan weerszijden van de weg. Twee rennen gebukt door, maar lopen op landmijnen. Doffe knallen en dan stilte. De Duitsers die in dekking liggen, weten genoeg. Ze ontsteken een rookgranaat en trekken zich terug richting de Friese kust. Feldt weet het nu: de Afsluitdijk innemen wordt geen makkie.
Kornwerderzand
Eigenlijk was Stelling Kornwerderzand uit pure nood geboren. Toen de Afsluitdijk in 1933 voltooid was, betekende dat een nieuwe toegangsweg tot de Vesting Holland; het westelijke hart van het land, beschermd door de Grebbelinie. En dus verrezen er op de Afsluitdijk, bij de sluiscomplexen van Kornwerderzand en Den Oever, twee stellingen. Stelling Kornwerderzand omvatte 17 kazematten (bunkers) van gewapend beton, met muren tot drie meter dik, gelegen aan de Friese kant van de dijk. Negen met zware mitrailleurs, twee met kleine kanonnen. Plus twee voor de luchtverdediging en één als commandopost. De rest herbergde aggregaten en een zoeklicht. Bovendien had elke bunker ondergrondse watertanks, slaapverblijven en een keuken. Verder lagen er tankhindernissen over de gehele dijkbreedte, prikkeldraadversperringen en landmijnen in de bermen.
Stelling Den Oever, ten westen van Kornwerderzand, telde tien kazematten en was vooral bedoeld als rugdekking, mocht de vijand achter de linies landen en vanuit het westen aanvallen.
De bevelhebber van beide stellingen, kapitein Christian Boers, had een jaar de tijd gehad om van zijn 225 dienstplichtigen een eenheid te smeden. Jonge jongens met een rotsvast vertrouwen in hun betonnen vestingen. Het enige gebrek: er was geen echte artillerie. De kleine kanonnen hadden onvoldoende bereik om de vijand aan Friese zijde te raken.

Artillerieduel
Terug naar 12 mei. Feldt staat voor een dilemma. Als de Afsluitdijk niet veroverd wordt, loopt de hele Duitse noordelijke flank vast. Er is haast geboden. Nog diezelfde avond bestookt Duitse veldartillerie de kazematten bij Kornwerderzand. Hun zware granaten laten het beton trillen. De grond schudt ervan.
Kapitein Boers grijpt de veldtelefoon. Zijn stem is kalm en bevelend. Op de Waddenzee, zo’n twintig kilometer verderop, ligt de kanonneerboot Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau. Die draait haar 15 cm kanonnen (de doorsnee van de loop) landinwaarts en opent het vuur op de Duitse artillerie. Het bombardement is zo nauwkeurig dat de Duitsers hun posities moeten opgeven. En zo eindigt de eerste dag van de slag om de Afsluitdijk. Kornwerderzand heeft de eerste schermutselingen doorstaan.
Die nacht arriveert een vrachtwagen bij Stelling Kornwerderzand. Soldaten van de Vrijwillige Landstorm springen eruit; verse krachten uit Vesting Holland. Ze brengen drie snelvuurkanonnen mee, voor extra luchtafweer. In het schijnsel van zaklantaarns worden de stukken in allerijl bovenop en tussen de kazematten opgesteld.
Dan breekt de ochtend van 13 mei aan. Maandag, de dag van de grote aanval. Feldt heeft zijn plan gereed. Allereerst ononderbroken luchtaanvallen om het moreel te breken. Daarna moet zware Duitse artillerie de stelling ‘stormrijp’ maken. Granaten zullen de grond omwoelen en zo alle landmijnen tot ontploffing brengen. De schietgaten van de bunkers – de kwetsbare ‘ogen’ – zullen binnen de kortste keren zijn dichtgeslagen met puin en stof. Zodra de bunkers blind en monddood zijn, volgt de beslissende aanval.
Die ochtend begint de eerste Duitse luchtaanval. Twee bommenwerpers en enkele jachtvliegtuigen duiken op boven Kornwerderzand. Alarm. De mannen van de Landstorm rennen naar hun snelvuurkanonnen. Ze richten de lopen en openen het vuur. Hulzen kletteren op het beton, in zo’n hoog tempo dat de munitiedragers het nauwelijks kunnen bijbenen. Eén bommenwerper wordt neergehaald, de tweede trekt zich ijlings terug.
Daarop scheren enkele Duitse jachtvliegtuigen over de kazematten. Kogels slaan in op beton en staal. Maar de mannen blijven vuren, verbeten, tot de laatste patronen zijn verschoten. Pas dan zoeken ze dekking. Wanneer de aanval voorbij is en de rook langzaam optrekt, ontdekt één van hen tot zijn verbazing dat een mitrailleurkogel het bedieningsstoeltje heeft doorboord waarop hij zojuist nog zat.
Kolos van 500 kilo
Later die dag volgt nog een luchtaanval. Twaalf Stuka’s. De duikbommenwerpers kantelen één voor één en duiken gierend naar beneden. Zware explosies slaan in op de bunkers. Eén bom, een kolos van 500 kilo, treft doel. Het projectiel slaat een groot stuk beton uit een bunkerwand. Stofwolken en gruis slaan omhoog.
De snelvuurkanonnen ratelen fel en onophoudelijk. Tussen alle bommen door worden twee Stuka’s neergehaald. Enkele andere worden ook geraakt en verdwijnen rokend en sputterend achter de horizon.
Dan breekt de aanval. De overige Stuka’s trekken op, waaieren uiteen en draaien weg richting de Waddenzee. In de kazematten, tussen stof en brokstukken, klinkt gejuich. Ze hebben standgehouden. Ook deze aanval is doorstaan.
Om 17.20 uur begint het Duitse artillerievuur opnieuw. De Wehrmacht vuurt nu met alles wat ze heeft. Spoedig is Kornwerderzand in zwarte rook gehuld. Vooral de kazematten waar de snelvuurkanonnen staan, krijgen het zwaar te verduren. Soldaten weten in allerijl twee van de drie snelvuurkanonnen naar binnen te halen. Het derde gaat verloren.
Binnen in de bunkers rest niets anders dan wachten. Ook dit bombardement uitzitten. Elke inslag dreunt door het beton. De muren trillen, de vloer schokt. Het geraas is allesoverheersend. Niemand weet of het beton hiertegen bestand is.
En dan, midden in het gebulder, gaat de telefoon. Aan de andere kant klinkt de stem van een soldaat uit een naburige bunker. Droog, bijna achteloos: ”Mannen, het gras wordt hier gemaaid. Hetgeen wel nodig is, want het stond wat lang.” Pas dan dringt het tot iedereen door. De drie meter dikke betonnen bovenzijden van de bunkers houden het. Ze geven geen krimp.
Maar Feldt weet dat niet. Evenmin weet hij dat alle schietgaten van de kazematten nog intact zijn. Om klokslag 18.00 uur geeft hij het bevel tot de beslissende aanval. Onder onophoudelijk dekkingsvuur van de artillerie begint een lange colonne Duitsers aan de opmars. Het is de gevechtsgroep Von Edelsheim. Beroepssoldaten, getraind voor momenten als deze.
In de commandopost van Kornwerderzand staat kapitein Boers achter zijn periscoop. Hij ziet ze verschijnen op de dijk, klein en in de verte, maar snel groter wordend. Voorop gemotoriseerde eenheden, daarachter soldaten op fietsen, want het is een lang stuk dijk tot aan de flauwe bocht, vlak voor de Nederlandse stelling.
Boers zegt niets. Hij kijkt en wacht, laat ze dichterbij komen. Op achthonderd meter geeft hij het bevel tot vuren. Niet aan iedereen; enkel aan kazemat 6. Een zware mitrailleur barst los. Een kogelregen spat rondom de Duitsers uiteen. Daarna de dreunen van het lichte kanon. Het geluid slaat over de dijk. De Duitsers rennen alle kanten op, maar de kale dijk biedt bijna nergens dekking. Sommigen werpen zich plat op het asfalt. Anderen zoeken dekking langs de lage dijkrand. Maar het vuur blijft komen, strak en meedogenloos.
Tegen 19.40 uur trekken de Duitsers zich terug. Eerst aarzelend, dan sneller, bijna paniekerig. Tijdens de terugtocht opent ook nog kazemat 2 het vuur en jaagt de Duitsers verder weg over de dijk. Dan, plots, is er niemand meer. Ook de Duitse kanonnen zwijgen.
Kapitein Boers geeft het bevel: staakt het vuren. Wat dan rest, is een vreemde stilte. In de bunkers staren de dienstplichtige soldaten elkaar aan. Dan vallen ze elkaar in de armen. Niet omdat ze gewonnen hebben. Maar omdat ze er nog zijn.
Die nacht blijft het stil. Voor even lijkt de oorlog ver weg.
Dinsdag 14 mei breekt aan. Er is vanuit de bunkers nauwelijks communicatie mogelijk met Den Haag. Niemand weet precies hoe het ervoor staat in de rest van het land. Maar in de kazematten is het moreel opperbest.
Enkele kilometers verderop trekt generaal Feldt zijn conclusie. Verdere aanvallen op Kornwerderzand hebben geen zin. Te goed verdedigd. Hij kijkt naar andere opties: een oversteek over het IJsselmeer. Of een omtrekkende beweging langs het water.
Maar zover komt het niet. In de nacht van 15 mei capituleert Nederland, na het verwoestende bombardement op Rotterdam. Het nieuws dringt pas uren later door in Kornwerderzand. De mannen zitten net rustig te eten als een luitenant binnenkomt. Zijn gezicht staat strak. Dan breekt hij en huilt. Niemand beweegt. De soldaten zijn sprakeloos. Nederland? Gecapituleerd? Maar waarom dan?
Dodendam
Niet veel later betreden de eerste Duitse soldaten Stelling Kornwerderzand. Tussen de betonnen bunkers staan de mannen tegenover elkaar. De Nederlanders stellen maar één vraag: hoeveel Duitsers zijn er gesneuveld?
Een van de Duitsers kijkt even om zich heen en fluistert dan: “Ik weet niet hoeveel. Maar het waren er veel. Heel veel.”
Hij vertelt dat de Afsluitdijk voor hen nu een andere naam heeft: de Dodendam. Hoe de aanval vastliep en de open dijk een val werd. Kameraden lagen plat op de bange buik, zonder dekking, terwijl het vuur over hen heen sloeg. Sommigen baden. Anderen vloekten. Jonge soldaten riepen om hun moeder.
“Wij zijn ook maar mensen,” zegt hij. “Wij houden evenveel van het leven als jullie.”
Hoeveel Duitsers er precies zijn gevallen tijdens de aanval op Kornwerderzand, blijft echter hoogst onduidelijk. Sommige (Duitse) bronnen melden dat de verliezen zeer beperkt waren. Andere bronnen (zoals Nederlandse ooggetuige- en gevechtsverslagen) hebben het over circa 600 aanvallers waarvan er zo’n 300 sneuvelden en meer dan 100 gewond raakten. Aan Nederlandse zijde sneuvelde niemand en raakte één persoon gewond.
Wat wel met zekerheid kan worden gezegd, is dat Kornwerderzand de eerste plek op het Europese vasteland was waar de Duitse Blitzkrieg tot staan werd gebracht.
De strijd om Ypenburg
Het Duitse aanvalsplan op Den Haag (Vesting Holland) heeft de codenaam “Fall Festung”. Het doel: Nederland in één dag veroveren. Hitler heeft zich persoonlijk over alle details van het aanvalsplan gebogen.
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 zullen duizenden Fallschirmjäger (parachutisten) worden gedropt boven drie militaire vliegvelden rondom Den Haag: Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg. Zij nemen vervolgens de vliegvelden in, waarna Duitse transportvliegtuigen versterkingen invliegen: de 22e Luchtlandingsdivisie van luitenant-generaal graaf Hans von Sponeck. In totaal tienduizend man elitetroepen. Zij rukken op naar Den Haag, om daar koningin Wilhelmina, de regering en het opperbevel van de Nederlandse strijdkrachten gevangen te nemen. Alles in één ochtend, als het aan Berlijn ligt.
Over de kwaliteit van de Nederlandse defensie maakt niemand aan Duitse zijde zich zorgen. Jarenlange bezuinigingen hebben het Nederlandse leger uitgehold. De weerstand zal verwaarloosbaar zijn.
De aanval
Vliegveld Ypenburg – strategisch cruciaal voor het slagen van de gehele Duitse luchtlandingsoperatie – ligt in de polder tussen Den Haag en Delft. Deze thuisbasis voor een aantal bommenwerpers en jachtvliegtuigen wordt slechts verdedigd door het 3e bataljon Grenadiers: een paar honderd dienstplichtigen. Ze beschikken over zes pantserwagens en wat mitrailleurs. Dat is alles.
Omstreeks vier uur in de ochtend, op vrijdag 10 mei 1940, klinkt het aanzwellende gebrom van vliegtuigmotoren. Eerst zacht en ver weg. Dan meldt een wachtpost grote formaties Duitse bommenwerpers, waarschijnlijk onderweg naar Engeland.
Maar de vliegtuigen keren om. Een van de officieren, Kapitein Bartels, staat buiten en tuurt omhoog. Hij probeert ze te tellen, maar het zijn er te veel. De Heinkel He-111’s scheren nu laag over. Zo laag dat Bartels de bommen kan zien vallen.
Dan openen Nederlandse luchtdoelmitrailleurs het vuur. Twee Heinkels worden getroffen en storten brandend neer. Maar de rest blijft komen. Nog meer bommen. De aarde scheurt open, puin en modder worden in zwarte zuilen de lucht in geslingerd. Het hoofdgebouw vliegt in brand. Even later een hangar. Ook twee van de zes pantserwagens overleven de eerste bommenregen niet.
Dan trekt iemand Bartels aan zijn mouw en wijst omhoog. Overal, werkelijk overal, hangen Duitse parachutisten. Ze dalen langzaam maar onafwendbaar neer.

Het is nu 04.15 uur. Acht Fokker D.21 jagers stijgen op van Ypenburg, tussen de inslaande bommenregen door. Boven het brandende vliegveld ontspint zich een chaotisch luchtgevecht. De Duitse Messerschmitts die de bommenwerpers escorteren, zijn veel sneller en krachtiger dan de Nederlandse jachtvliegtuigen. Maar ook minder wendbaar. De Fokker-toestellen draaien scherper, trekken strakker door de bocht.
Zeker vijf Duitse toestellen worden zo uit de lucht geschoten. Een groter aantal raakt beschadigd. Maar de prijs is hoog. Twee Fokkers storten neer. De overige toestellen raken beschadigd, maken noodlandingen of worden later op de grond alsnog vernietigd. Tegen het einde van de ochtend is er geen bruikbare Fokker meer over.
Intussen landen de parachutisten, de Fallschirmjäger. Het zijn er zo’n vijfhonderd en ze komen overal neer. In weilanden, langs sloten en op akkers. Soms zelfs twee of drie kilometer van het vliegveld verwijderd. Zo verliezen de Duitsers kostbare tijd.
Het is inmiddels 04.45 uur. Het bombardement is voorbij. De Duitsers menen dat de Nederlandse verdediging uitgeschakeld is. Dan verschijnen Junkers Ju-52 transportvliegtuigen. Trage toestellen, volgepakt met elitetroepen. Als de wielen van de eerste Ju-52 de startbaan raken, openen Nederlandse zware mitrailleurs het vuur. Kogels doorzeven de aluminium romp. Het toestel slipt van de baan, slaat over de kop en verandert in een vuurbal. Niemand komt eruit.
Minder dan een minuut later daalt de tweede Ju-52. Dan de derde. En de vierde. Evenzoveel vuurballen. De piloten van elk transportvliegtuig kunnen zien wat er met het vorige toestel gebeurde. Toch dalen ze. Nederlandse pantserwagens scheuren op volle snelheid mee over het veld en nemen elk toestel onder vuur dat de grond raakt. Het is prijsschieten.
Een tweede formatie nadert. De piloten zien de ravage, maar ook zij dalen. Het is wederom een slachting.
Een derde formatie wil de landing inzetten. Een deel trekt bijtijds op. De rest niet. Van de circa 350 Duitsers die in de zeventien vernietigde Junkers zaten, overleven er slechts drie. Zij worden gevangengenomen.
De transportvliegtuigen die weer optrokken, wijken uit naar de autoweg tussen Rotterdam en Den Haag. Of naar weilanden. Allemaal plekken vanwaar ze niet meer kunnen opstijgen. Een deel keert terug naar Duitsland.
Levend schild
Intussen hebben de Fallschirmjäger zich gehergroepeerd. Aan de westzijde van Ypenburg rollen ze gebouw na gebouw op, bunker na bunker. Het gaat rap. Om zeven uur in de ochtend hebben ze een deel van het vliegveld in handen.
De Duitse elitetroepen uit de transportvliegtuigen die noodlandingen elders maakten, marcheren nu ook richting Ypenburg. Ze gebruiken Nederlandse krijgsgevangenen als levend schild.
De verdedigers zien het. Ze richten, maar aarzelen. Niemand wil op eigen mensen schieten. Zo bereiken de Duitsers het plein voor de hoofdingang. De linie is doorbroken. Het vliegveld is nu bijna geheel in Duitse handen.
Alleen de noordoosthoek van Ypenburg lijkt stand te houden, onder leiding van luitenant Warnaars. Met behulp van enkele luchtdoelmitrailleurs slaat hij elke Duitse aanval af. Stug en onverzettelijk.
Het enige andere lichtpuntje is de Hoornbrug, de cruciale verbinding tussen vliegveld Ypenburg en Den Haag. Daar wachten kapitein Bartels en zijn dienstplichtigen. De Duitsers doen verwoede pogingen de brug te veroveren. Een groene Lincoln met zes Duitse parachutisten raast over de weg op de brug af. Bartels’ jongens vuren. De auto slingert, slaat over de reling en verdwijnt in de Vliet. Andere Duitsers proberen in een roeiboot het kanaal over te steken. Hun boot wordt doorzeefd.
Dan scheren twee Messerschmitts over de brug, de boordmitrailleurs ratelen. Het kanon van een Nederlandse pantserwagen opent het vuur. Twee voltreffers. Het eerste toestel ontploft in de lucht. Het tweede stort brandend neer in de polder.
De brug houdt stand.
De tegenaanval
Om 10.00 uur neemt majoor Van Grotenhuis van Onstein het besluit. Ypenburg moet heroverd worden. Maar veel jongens heeft hij niet: twee compagnieën Grenadiers en anderhalve compagnie rekruten van het 4e Depot Bataljon. Alles bij elkaar zo’n vier- tot vijfhonderd dienstplichtigen. Jongens die nog geen twee maanden hebben geoefend. Toch wordt de tegenaanval ingezet.
Maar het polderland rond het vliegveld biedt nergens dekking. Het is een open vlakte die bestreken wordt door het kruisvuur van Duitse mitrailleurs.
De rekruten waden door de sloten, dat is hun enige dekking. De aanval stokt.
Dan komt de 51-jarige kapitein Wilhelmus Böttger overeind. Wat hem drijft, is het volle besef dat stilstand de dood betekent. Rechtop, sigaar in de mond, wandelt hij door het open veld. Tussen het vijandelijk vuur door, zo lijkt het wel. Zijn stem kalm, het bevel voerend terwijl hij wijst. De jongens kijken, bijna verstijfd van ongeloof. Hoe kan iemand zo rustig blijven en rechtop lopen, terwijl de kogels overal inslaan?
Zo brengt Böttger de aanval weer op gang. Hij lijkt onkwetsbaar. Pas op tweehonderd meter voor het vliegveld treft een kogel hem in de hartstreek. “Laat mij maar liggen,” zegt hij tegen een van zijn jongens. Dan, met zijn laatste krachten wijzend naar het vliegveld: “Ga je gang.”
Weer rukken ze vele honderden meters op. Maar aan de rand van het vliegveld lijkt de aanval dan toch dood te bloeden. Wéér liggen de Grenadiers plat op het asfalt en in het grasland. Wéér kunnen ze niet vooruit en niet terug.
Dan, plots, klinkt het hoge gieren van granaten. Niet van de vijand, maar van een Nederlandse artillerie-eenheid die positie heeft gekozen bij de spoorlijn. De eerste salvo’s slaan in op Ypenburg. Gebouwen vatten vlam. Duitsers die zich daar hebben verschanst, vluchten naar de boerderijen achter het terrein. Het spervuur neemt af. De Grenadiers grijpen hun kans. Ze tijgeren steeds verder voorwaarts.
Het tij keert, de vijand aarzelt. Groepjes Duitsers steken hun handen omhoog. Een witte lap wappert. Dan nog één. Wapens worden neergelegd. Beter capituleren dan voor niets sterven.
Zo raakt Ypenburg weer in Nederlandse handen. Maar het vliegveld is nauwelijks nog als zodanig herkenbaar. De grote hangar ligt in puin. Het paviljoen is een gapende ruïne. Op de startbaan een kluwen van uitgebrande Junkers, overal diepe kraters. En doden, Duitsers en Nederlanders door elkaar.
Ook de laatste Duitse weerstand vanuit omliggende boerderijen en woningen wordt nu gebroken. Elf Fallschirmjäger hebben zich aan de noordrand van het vliegveld in een villa verschanst. Tweede reserve-luitenant George Maduro, 23 jaar, krijgt de opdracht om de villa te heroveren. Dat moet hij doen met veertien dienstplichtigen en één lichte mitrailleur.
Maduro verzint een list. Hij laat de mitrailleur keer op keer verplaatsen, zodat steeds vanuit een andere hoek op de villa wordt gevuurd. Voor de Duitsers lijkt het alsof ze omsingeld zijn door een compleet bataljon. Als het handjevol Nederlanders de villa vanaf verschillende kanten bestormt, geven ze zich direct over.
Bijna 1300 Duitse krijgsgevangenen worden later die dag afgevoerd naar Den Haag: 720 gevangenen op en rond Ypenburg, en nog eens 575 in het omliggende gebied. Van hen worden 1200 nog voor de capitulatie per schip naar Engeland afgevoerd. Zij kunnen de rest van de oorlog in ieder geval niet meer voor Duitsland vechten.
Nog diezelfde avond annuleert het Duitse opperbevel het plan om Den Haag te veroveren. In weilanden en akkers rondom de vliegvelden liggen de stille getuigen; bijna tweehonderd uitgebrande Duitse transportvliegtuigen. De grootste luchtlandingsoperatie die de wereld tot dan toe heeft gezien, is gestrand in een Hollandse polder.
Generaal-veldmaarschalk Albert Kesselring verklaarde na de oorlog dat de verliezen van de luchttransportvloot tijdens operatie Fall Festung zo groot waren dat de Luftwaffe er nooit meer helemaal van was hersteld.
Het aantal op Ypenburg gesneuvelde Duitsers is nooit precies vastgesteld.
Op 14 mei was men nog steeds bezig de doden te bergen en te begraven. De schattingen lopen uiteen van vijfhonderd tot achthonderd man.
Aan Nederlandse zijde sneuvelden 87 militairen.
Epiloog
Ypenburg en de Afsluitdijk zorgden er mede voor dat Hitler op 14 mei zijn Instructie Nr. 11 schreef. Daarin constateerde hij dat het weerstandsvermogen van het Nederlandse leger krachtiger was dan verondersteld en beval de directe val van Vesting Holland. Desnoods, zo schreef hij, door Rotterdam te vernietigen. En zo geschiedde.

