Op nu.nl las ik over een dronken man uit Hoorn die in Anna Paulowna de laatste trein had gemist en toen besloot om naar huis te lopen. Een afstand van veertig kilometer.
Eerder die avond was hij op bezoek geweest bij een ‘kennis’, meldt het artikel. Wat een treurig woord blijft dat toch. Geen vriend of broer. Ook geen kameraad uit zijn diensttijd, lang geleden. Nee, een kennis. Iemand bij wie je te veel bier drinkt voor een veel te grote televisie, zonder al te veel te zeggen. Daarna vertrok hij richting station.
Daar drong het door: ‘Kut. Laatste trein weg.’
U en ik bellen in zo’n geval een taxi, zoeken een hotel of gaan desnoods huilend op een bankje bij spoor 2 zitten. Maar meneer niet. Meneer ging lopen. Ik zie hem al gaan. Eerst nog stoer, handen in de zakken. Een beetje fluitend misschien, want zo begint zo’n tocht. Eerst ben je nog gezellig dronken. Je voelt je een Viking.
Na een uur wandelen vond hij waarschijnlijk nog steeds dat hij “lekker bezig” was. Dus verder ging hij. Door polders en langs sloten. Dwars door nachtelijk Noord-Holland. Hij passeerde rotondes, gesloten tankstations en koeien die hem met lege blik aanstaarden. Het was duidelijk dat ze hem niet begrepen.
Ergens na 25 kilometer sloeg het om. Toen begon het echte leven weer langzaam in te dalen. Eerst de pijn in zijn voeten. Daarna kwamen de vreemdste herinneringen bovendrijven. Hij dacht aan een verjaardag, jaren geleden. Aan zijn allereerste fiets. Aan Samantha uit de brugklas, met wie hij ooit één keer had geschuifeld. Wat zou er van haar geworden zijn? Of hij dacht aan helemaal niets. Het wisselde elkaar af.
Intussen sloeg thuis de paniek toe. Zijn vrouw kon hem niet bereiken, want zijn mobiel stond uit. Dus belde ze die kennis. En toen, in het holst van de nacht, de politie. Een zoektocht volgde. Agenten schenen met zaklampen in donkere sloten en vaarten. Ze zochten overal in Anna Paulowna waar een man maar kan vallen. Of drijven.
Maar meneer was inmiddels alweer dertig kilometer verder, op zijn alcoholische pelgrimstocht. Misschien is dat wel de zuiverste vorm van mannelijkheid die we nog hebben. Niet de opgepompte podcastvariant met crypto en ijsbaden, maar die andere variant – de stille. Het oeroude, mannelijke instinct om vooral niemand tot last te zijn. Een beetje man sjokt liever acht uur door de polder dan toe te geven dat hij hulp nodig heeft.
Uiteindelijk kwam hij thuis aan. In gedachten zie ik hem staan, bij zijn voordeur. Nuchter inmiddels. Helemaal kapot, zijn voeten bezaaid met blaren. Te moe om zelf zijn sleutels te pakken. Hij belde aan, zijn vrouw deed open. Wat ze zei? Dat vermeldt het artikel niet. Ik vermoed niets. Ze keek hem alleen maar aan. Precies zoals die koeien, eerder die nacht.

