zombie

Telefoonzombie

Een telefoonzombie, dat was hij. De eerstejaars keek op van zijn smartphone en staarde naar buiten. De dag was verdwenen onder een kolossale zwarte deken met kleine, witte gaten erin. Achter luxaflex schuifelden de overburen rond in hun met Ikea-meubeltjes volgestouwde studentenflat.

Wat ze ’s avonds aten – of beter gezegd: werktuiglijk naar binnen schoven terwijl ze naar hun schermpje staarden – hoefde hij niet te raden. Eigenlijk kende hij hen maar al te goed, zelfs zo van een afstandje. Misschien moest hij maar weer eens even naar hen zwaaien. Bij motorrijders scheen zoiets goed ontvangen te worden.

Maar zijn overburen zwaaiden nooit terug, vergroeid als ze waren met hun smartphone. Langzaam liet de eerstejaars zijn blik door de studentenkamer glijden. Iedere dag was een nieuw begin, dat moest hij goed voor ogen houden. Ja, een nieuw begin was er altijd. Maar waarom was elke avond dan een gebed zonder eind?

Het was alsof iemand zware, onzichtbare gewichten aan zijn lichaam had gehangen. “Jezus nog aan toe,” prevelde de eerstejaars. Hij keek naar zijn smartphone. Doelloosheid is een euvel van alle tijden.

Dit was geen eenvoudig moment. Hij was volkomen tot stilstand gekomen. Alleen zijn hart, dat klopte in een traag en verveeld ritme. Alsof je zomaar tegen een blinde muur op botste. Hoofdpijn stak de kop op.
“Als ik hier druk, dokter, doet het daar pijn.”
“Niet drukken dan, zou ik zo zeggen.”

Tijd om iets te gaan doen. Met veel moeite stond hij op van de bank. “Dit wordt lastig,” mompelde hij. Niet in de laatste plaats omdat zijn linkerbeen sliep. Hij probeerde van standbeen te wisselen.

Hopeloos.

Met een pijnlijk gezicht bewoog hij zijn been met daaronder de klomp gevoelloos vlees. Zo moeten die zombies uit The Walking Dead zich voelen. Zijn been achter zich aantrekkend, sjokte de eerstejaars om het salontafeltje heen, onderwijl een diep, grommend geluid makend.

Na enkele rondjes had hij zijn performance verrijkt met enkele ongecontroleerde tics van nek en rechteroog. “Lang niet gek,” mompelde de eerstejaars, “deze vrije vertolking van een wandelende dode.”

Eén zijn met je rol. Daar ging het om. Met een verwilderde blik keek hij de kamer rond en gromde nog eens wat.
 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top