Vrijheidsbijdrage

Ik lees dat ik voortaan een vrijheidsbijdrage ga betalen. Zo heet dat dus. Vrijheidsbijdrage. Prachtig woord, alsof vrijheid iets is waar je gewoon een bedrag tegenover kunt zetten. Zoals een abonnement op een sportschool waar je toch nooit komt.

In dit geval blijkt het simpelweg om een extra belasting te gaan, bedacht door het CDA. Dat verklaart waarom het zo nadrukkelijk niet als belasting klinkt. Henri Bontenbal in de fractiekamer: “Jongens, laten we het geen belasting noemen, maar een bijdrage. En niet voor oorlog, maar voor vrijheid.” Iedereen knikt. Ja, mooi woord, warm ook. Mensen houden van vrijheid. Vrijheid verkoopt altijd.

Niemand die zegt: “Zullen we eerlijk zijn en het gewoon ‘oorlogsbelasting’ noemen?”

Nee, zo werkt politiek niet. Dus is het een bijdrage voor de vrijheid. Alsof je doneert uit vrije wil.

“Schat,” zeg je dan ’s avonds met een glas wijn in de hand, “wat fijn dat we mogen meebetalen aan onze vrijheid.” En dan kijk je voldaan naar buiten, naar de schutting die je vorig jaar zomer liet plaatsen omdat de buren te vaak zwaaiden.

Die vrijheidsbijdrage kost elk huishouden zo’n 400 euro per jaar. Als ik het goed begrijp, is dat dus het bedrag dat nodig is om onze vrijheid te garanderen. Ik probeer me voor te stellen wat je krijgt voor 400 euro. Een halve tank diesel voor een Leopard 2? Een doosje kogels? Misschien een stukje van een F-35; een bout of een dichtringetje.

Ter vergelijking, werd erbij gezegd, geven we per inwoner meer dan 800 euro uit aan basisscholen. Dat detail was bedoeld om het draaglijk te maken, denk ik. Zo van: kijk eens, we geven nog steeds véél meer uit aan kinderen dan aan oorlog. Alsof dat een verdienste is. Alsof we ons beter moeten voelen omdat we meer investeren in groep drie dan in raketwerpers.

Mijn vader had vroeger een map waarin hij alle rekeningen en belastingaanslagen bewaarde. Hij betaalde ze altijd te laat. “De duvel schijt weer eens op de grootste hoop,” gromde hij dan. Een vaste uitdrukking, zoals vaders die hebben.

Hij is nu acht jaar dood. Ik denk de laatste tijd vaker aan hem. Hoe hij altijd het gevoel had dat iemand hem belazerde, dat het systeem zo was ingericht dat de arme sloeber altijd het gelag betaalt. Ik vermoed dat hij gelijk had.

In zijn tijd was vrijheid iets waar je zuinig op moest zijn. Tegenwoordig is het een begrotingspost. Iets dat je kunt budgetteren. Een potje waar je verplicht geld in stopt, waarna iemand anders er clustermunitie voor koopt. We leven tenslotte in een vrij land.

Dus nu zit ik zelf aan de keukentafel rekeningen te sorteren. Zorgverzekering omhoog. Energie omhoog. Boodschappen weer duurder. En dan ook nog eens die vrijheidsbijdrage. Het klinkt als een verplicht lidmaatschap. Maar misschien krijg ik een pasje. “Gefeliciteerd, meneer Koelman. Dank voor uw ruimhartige, verplichte bijdrage. U bent nu officieel donateur van de vrijheid. Toon dit pasje bij de volgende mobilisatie.”

Luuk Koelman
Luuk Koelman

Columnist (o.a. voor Nieuwe Revu), ghostwriter en schrijfcoach. Ik werk voor mensen die graag schrijven én voor mensen die liever niet schrijven.

Abonneer je op mijn gratis nieuwsbrief!