donner

Wat één vinger van Donner al niet vermag

Hein Donner mag dan al een kleine dertig jaar dood zijn, hij is nog steeds mijn held. Voor wie hem niet kent: Jan Hein Donner (‘Hein’ voor vrienden) was de sterkste Nederlandse schaker in de periode tussen Max Euwe en Jan Timman. Maar nog talentvoller was hij als columnist en provocateur.

Donner beschimpte iedereen, ook de mensen die hij bewonderde. Dat vond hij wel zo eerlijk. Hij denderde in één klap mijn universum binnen toen ik las hoe hij ooit half Nederland tegen zich in het harnas joeg. We schrijven 1968, de tijd van de Dolle Mina’s. Donner betoogde in het blad Avenue dat vrouwen niet kunnen schaken. Hij schreef het stuk omdat zijn echtgenote er zo om moest lachen, maar dat wist niemand.

“Meneer Donner,” reageerde een boze Dolle Mina in een ingezonden brief, “u discrimineert. U bedoelt eigenlijk te zeggen dat negers niet kunnen schaken.”

Waarop Donner antwoordde: “Nee, mevrouw, u begrijpt mij niet goed. Negerinnen kunnen niet schaken.”

Hein dronk en rookte als een bezetene. Kunstenaarssociëteit De Kring was zijn thuishonk. Daar deed hij wat hij het beste kon: schrijven, schaken, kibbelen en af en toe met iemand op de vuist gaan. Dat laatste ging altijd vanzelf, want als iedereen ‘wit’ riep, ging Hein onderzoeken of voor ‘zwart’ ook iets viel te zeggen. Iedere columnist zal het herkennen. Zwart en wit, de polemiek als een schaakspel.

In 1983 werd de toen 56-jarige Donner getroffen door een zware hersenbloeding. Hij kon letterlijk niets meer, behalve een plekje voor zichzelf regelen in verpleeghuis Vreugdehof. Nee, zijn vrouw mocht hem niet verplegen. Hein wilde haar niet opzadelen met een defecte versie van zichzelf. Dan maar weerloos overgeleverd aan artsen en verplegend personeel. Hij maalde er niet om: “Mijn wereld is nu zeer klein, een schaker is dat gewend.”

Schaken ging niet meer, maar na twee jaar revalideren kon Donner eindelijk weer schrijven. Nou ja, schrijven. Tikken met één vinger. Twee aanslagen per minuut. Bovendien zag hij alles dubbel; daarom droeg hij een ooglapje. Zo tikte hij zijn wekelijkse column voor de NRC. Dágen deed hij over één stukje.

Nu moesten de schenen van het verplegend personeel het ontgelden. Dames die hem lieten liggen, terwijl zij “de helft van de tijd gezellig koffie zaten te drinken.” Het leverde een ingezonden brief op van een withete verpleegster over “de columns die de heer Donner in uw krant heeft geschreven en die u nota bene nog geplaatst heeft ook!”

En daar ging ze los: “Bij mij had hij een nog slechter leven gehad als hij dit soort uitspraken op de afdeling deed. (…) Jan Hein Donner zou ik nog niet zo erg vinden om te laten liggen. Maar patiënten die blij zijn dat zij geholpen worden door iemand die om hen geeft, die nog eens een praatje maken over wat er binnen de vier muren van de kamer waar zij al jaren liggen gebeurt, iemand die jong is en doet denken aan de tijd dat zij zelf jong waren, waar de verpleegkundige ook graag wat over wil horen. Zulke patiënten laat ik niet liggen.”

Pas toen begreep ik de ware kracht van Donner. Het is niet de columnist die zijn slachtoffer fileert. Daar is niets aan. Het slachtoffer dient zich zélf in het zwaard te storten. Hein Donner kon dat. Eén vinger. Meer heeft een columnist niet nodig.

Eerder verschenen in literair tijdschrift Titaan
Fotobron: WikiMedia

Scroll naar top